NL | EN

Motorijden over het "Dak van de Wereld"

HIMALAYA

 

 

Trans Himalaya Reisverhaal Carlo 2013

MOTOR RIJDEN OVER HET DAK VAN DE WERELD TUSSEN HEMEL EN AARDE!!

Voor de derde keer op rij is de Amsterdamse luchthaven de vertrekplaats van mijn reis. De voorbije jaren vertrok ik ook vanaf hier naar Argentinië en Thailand, nu vlieg ik via Finland naar India. Het is bij aankomst op de luchthaven van Helsinki veel minder druk dan op Schiphol. Alles verloopt heel rustig en gemoedelijk, een verademing! Hier ga ik overstappen op een Airbus van Finnair. Eigenlijk zie ik er tegenop om 7 uur af te zien voor ik in Delhi ben, maar bij het zien van de stewardessen dacht ik er anders over. Wat zijn ze mooi zeg!!!
Even na 05.00uur lokale tijd loop ik de aankomsthal van Indira Gandhi International Airport van New Delhi in. Meteen ga ik op zoek naar de transportband om mijn tas op te halen en schuif aan in de rij. Met ijzige nauwkeurigheid en een gezicht van "ik ben hier de chef " worden de paspoorten nauwkeurig bestudeerd.
Eenmaal buiten overvalt de hitte mij. Hoewel het nog heel vroeg is, is het al 27 gr . Een taxi brengt mij naar een hotel in de buurt waar ik de motor heb gehuurd. Door de open ramen ruik ik India, voor het eerst sinds lange tijd ruik ik weer het heerlijke mengsel van houtvuur, spicy food en uitlaatgassen. Yes ik ben weer terug, veel is er de voorbije jaren niet veranderd, het verkeer is nog even chaotisch . Fietsriksja's, motortjes en autootjes slalommen al bellend en toeterend door de straten. Om 7.30 uur kwam ik toe in mijn hotel , waar ik even kon bijkomen van de reis. Om 11.00 uur had ik een afspraak met Lali Sing van het motor verhuurbedrijf.
Ik was meteen verliefd op de Bullet toen ik hem zag staan . Wat een prachtige motor, volledig zwart en gemaakt van gewoon ijzer, nergens was er ook maar een stukje plastiek te bespeuren. De mekanieker van dienst licht toe hoe ik dit prachtig werkstuk aan de praat krijg. De startprocedure, eerst met het decompressieschuifje links op het stuur spelen en met de kickstarter trappen zodat de ampèremeter in het midden staat, en dan een ferme trap geven. Ik krijg nog een snelcursus mechaniek en dan is het tijd om een proefrit te maken..

 

Gelukkig is het zondag en is er niet zo'n druk verkeer. Ik ben verbaasd hoe snel ik het rijden op deze legendarische Royal Enfield weer onder de knie heb. Nochtans is het alweer een aantal jaren geleden dat ik op een Enfield motor dwars door India reed. Evident is het niet om op een van oorsprong Engelse motor te rijden, links remmen, rechts schakelen, eerste versnelling omhoog, rest naar beneden. Je hele automatisme moet op z'n kop. In combinatie met het links rijden en het chaotisch verkeer in India moet je echt wel opletten. Vooral in plotselinge situaties trap je hem een versnelling hoger in plaats van dat je remt. Schakelen zonder nadenken zorgt er voor dat je in plaats van 2 naar 3, van 2 naar 1 gaat. Het hele ding gaat dan direct volop in de ankers, waarbij je bijna over het stuur wordt gekatapulteerd. Als laatste afhandeling is er nog een ceremonie aan de god "Ganesh" die mij moet beschermen voor een veilige reis.

 

De volgende ochtend vertrek ik al zeer vroeg voor misschien wel de indrukwekkendste reis van mijn leven. Vanuit het centrum rij ik via de drukke buitenwijken de stad uit, het rijden met de motor door het Indische verkeer blijft spannend. Geen verkeerslichten, of toch, maar men rijdt gewoon door het rood, geen verkeersborden, geen richtingaanwijzers, geen lijnen op de weg, ik word links en rechts voorbijgestoken. Ook zie ik weer hoeveel armoede hier is. Op de trottoirs liggen tussen de stukken karton dakloze mensen te slapen. En varkens en koeien die de afvalresten aan het opeten zijn.
Even buiten de stad wordt de tank volgegooid, en ben ik klaar voor het eerste deel van de rit die voor een groot gedeelte over de snelweg gaat waar ik regelmatig wordt ingehaald door kleurig geschilderde vrachtwagens.

 De hitte begint haar tol te eisen, " 42 graden is heet", zelfs op een motor ,en ik moet regelmatig van de motor om te drinken. Net voor Kalka stopt de snelweg en rij ik eerst nog door armzalige dorpjes met bouwvallige huisjes en zelf gemaakte tentjes van plastiek en takken.

 Sanitair is er niet, dus iedereen wast zich in de bruine slootjes waarin anderen weer hun behoeften doen. Vee in alle soorten en maten loopt overal los rond. Eindelijk komen de bergen in zicht en is het mijn beurt om de vrachtwagens in te halen die stapvoets de berg oprijden en hierbij gigantisch veel dieselrook produceren. Neem daarbij nog het benodigde straatstof en je kan je voorstellen hoeveel rotzooi ik in mijn longen kreeg. Ik ervaar weer hoe het is om 400 km lang over zeer slechte en gevaarlijke wegen te rijden. Ik heb kunnen genieten van meer dan 12 uur motor plezier als ik vermoeid toekom in Shimla. De Engelsen bouwden hier hill-stations om aan de hitte van het laagland te kunnen ontsnappen. Vandaag de dag komt de Indiase middenklasse hier massaal vakantie nemen. Shimla is vooral bij pasgetrouwde stelletjes populair, dit moet één van de weinige plaatsen in India zijn waar man en vrouw gearmd over straat gaan. Tot 's avonds laat flaneert iedereen over "The Mall" langs de vervallen Britse panden.

 

Hevige moessonregens hebben er de voorbije weken voor gezorgd dat van een tocht door de Kinnaur en Spiti vallei niets van terecht komt. De Old Tibetan-Hindustan highway is op verschillende plaatsen ondergelopen door het water. Tientallen dorpen zijn van de buitenwereld afgesneden. Helikopters worden ingezet om mensen te evacueren. Volgens de laatste nieuwsberichten zijn er al meer dan duizend doden. Ik zet mijn tocht verder door noordwaarts door de Kullu vallei te rijden naar het populaire Manali. De Kullu vallei staat bekend om de cannabis. Het groeit er overal als onkruid. Ieder jaar verdwijnen in deze vallei een aantal Westerlingen. Er wordt beweerd dat zij zich aansluiten bij de Sadhu's om de dagen stoned door te brengen in afgelegen grotten.

De groene bergen worden steeds hoger, soms kan ik een glimp opvangen van een witte piek.

 

Het wordt duidelijk, ik kom steeds korter bij de Himalaya. Het groene Manali biedt een aangename verpozing met mogelijkheden tot rafting, sightseeing of wat relaxen in de warmwaterbronnen.

Rij je de eerste dagen continu met je hersenen, het automatisme neemt het langzaam over. En ik durf nu min of meer met een gerust hart om me heen te kijken. Maar toch is het opletten geblazen. Een motorreis door de adembenemende Himalaya is niet zonder gevaar. Via de Manali highway rij ik verder naar Keylong over hemels hoge bergpassen naar het dak van de wereld. Zeer slechte wegen, dat wel, maar ook erg mooi.

  

Je kan zien dat de weg nog niet lang open is. Ik rij tussen meters hoge sneeuwwallen door.

 

De bergpassen worden maar drie maanden op een jaar sneeuw en ijsvrij gemaakt door het Indiase leger dat de bewakingstroepen aan de grenzen met China, Nepal en Pakistan bevoorraadt. Regelmatig moet ik een rivier oversteken van ongeveer 20 tot 40 cm diep. En op de bodem niets anders dan grote ronde stenen. Het kostte veel moeite om de motor overeind te houden, ik mocht zeker niet vallen, want dan zou het bijna onmogelijk zijn om alleen de motor uit de rivier te krijgen.

De rit naar Keylong gaat verder langs smalle onverharde wegen met aan de ene zijde de bergflank en aan de andere kant een diep ravijn. Imponerend om te zien is hoe de vrachtwagens langs de afgrond moeten rijden om op de smalle bergweg de haarspeldbochten te moeten nemen.

Een half uurtje voor Keylong krijg ik een eerste keer te maken met een lekke band. Ik demonteer de kofferhouders en haal het achterwiel eruit. Op de ouderwetse manier haal ik met bandijzers de buitenband van de velg en vervang de binnenband. Een klus van toch meer dan een uur in de verschroeiende hitte.

Keylong ligt geïsoleerd tussen de bergen in een groene en vruchtbare vallei. Veel is er niet te zien in het stadje, maar ik kan er wel een nieuwe binnenband aanschaffen, wat eten kopen en tanken want hier heb je het laatste benzine station tot veertig km voor Leh. Driehonderdzeventig km lang kom je niets van accommodatie tegen en ben je totaal van de buitenwereld afgesloten. Ik neem dan ook twee extra jerrycans benzine mee. De volgende ochtend zit ik al voor zonsopgang op de motor richting Sarchu. Dat is een plaats die eigenlijk alleen maar bestaat uit een aantal tentenkampen waar je kunt overnachten om de reis naar Ladakh verder te zetten.

 

De omgeving is nog steeds prachtig en spectaculair, soms zijn de stukken weg iets beter en dan kan ik volop genieten van de prachtige natuur, en van het mooie, zware geluid dat uit de uitlaat van de Enfield komt. Vooral in de hoogste, vierde versnelling, met zo'n 50 km per uur op de klok lijkt het wel of er een scheepsdiesel onder me bonkt.

Vannacht heb ik erg veel last van de hoogte gehad. Er zit hier in Sarchu op 4.300 meter zo weinig zuurstof in de lucht dat als je plat ligt denkt te gaan hyperventileren. Ik moet meerdere malen rechtop in de tent gaan zitten. Geen goed teken, maar op deze hoogte is het normaal om last te krijgen van de verschijnselen van hoogteziekte. s' Morgens geraak ik met moeite uit mijn slaapzak. Ik voel mij nog steeds verschrikkelijk en heb nu ook last van barstende hoofdpijn en braakneigingen. ik doe het die dag rustig aan, maar probeer toch niet te veel tijd te verliezen. Vandaag wil ik nog in het tweehonderd zestig km verder, en bijna 1.000 meter lager gelegen Leh te geraken om er wat op krachten te komen. Het landschap is duidelijk anders, hier veel bruine vaak zandstenen bergen die schitteren in de helderblauwe lucht. Als ik door een smalle kloof met een perfect nieuw wegdek rij, zie ik iets verder- op vrouwen die op de hurken voortbewegen en de weg schoon vegen met een handbezem van twijgen. Het spreekt voor zich dat dit niet erg op schiet. Dichter bij Leh rij ik langs kilometerslange militaire gebouwen en zie niets anders dan hoge hekken waarachter legerbarakken met honderden legervoertuigen van het Indiase leger. Dat komt door de strategische ligging van Ladakh, het district dat ongeveer zestig procent van de meest noordelijke en omstreden Indiase deelstaat Jammu en Kashmir vormt. Het eerste dat opvalt als je het centrum van Leh binnen rijd is het imposante, negen verdiepingen hoge oude koninklijke paleis dat het stadje domineert.

 

De eerste indruk : heel toeristisch, heel veel reis- en trekkerswinkels en tientallen souvenirwinkels met vooral Tibetaanse souvenirs. Maar het lijkt mij wel gezellig. Het letterlijke en figuurlijke hoogtepunt van mijn expeditie zou de rit over de Kardhung- La worden, de hoogst berijdbare bergpas ter wereld op 5602 m hoogte. Voor deze weg heb ik wel een speciale vergunning nodig en die kan hier in Leh aangevraagd worden. Het duurt wel twee dagen eer ik in het bezit ben van het gegeerde permit, maar ik had het er graag voor over. De weg naar de top van de Karhung - La was zoals elke pas spectaculair. Vooral het laatste stuk is de weg heel slecht. Veel had het echter niet gescheeld of ik had mijn doel niet bereikt. Op 4 km van de top had er een steenlawine plaats gevonden en het leger was bezig met de rotsblokken en het steenpuin te verwijderen.

 

Na lang wachten kon ik dan toch verder rijden. Het was een lange, gevaarlijke en fysiek zware reis doorheen de Himalaya om de top van de Karhung - La te bereiken, maar alle verwachtingen werden ruimschoots ingelost. Een beetje fier laat ik een foto van mij maken bij het bord " hoogst berijdbare weg ter wereld"( 5.602 m).

 

Daarna rij ik dezelfde weg terug. Ik had ook nog naar beneden kunnen rijden om de Nebra valley te gaan bezoeken maar wegens gebrek aan tijd beslis ik om dit niet te doen. Vanuit Leh volg ik de Indus rivier naar het westen. Opnieuw veel militaire controleposten maar zoals reeds vele malen is gebleken dat mijn papieren in orde zijn.Op weg naar Kargil krijg ik de indruk dat ik vanop het dak van de wereld plots op de maan terecht gekomen ben. Ik rij door een prachtig maanlandschap zonder enige begroeiing. Onder invloed van het zonlicht namen de rotsen steeds een andere kleur aan. Heel indrukwekkend.

 

Iets verder kom ik bij het belangrijkste klooster van Ladakh het 1000 jaar oude Lamayuru klooster. Er verblijven ongeveer 150 monniken in het klooster. Lamayuru staat ook bekend als plaats van de vrijheid. De spectaculaire uitzichten hier worden door geen enkel ander klooster overtroffen.Zo'n veertig km voorbij Kargil, staat vlak langs de weg een van de belangrijkste rotsreliëfs uit de vroeg boeddhistische tijd: een 7 m hoog reliëf van de Boeddha Maitreya, dat waarschijnlijk dateert uit de 5de-7de eeuw. Dit geeft ook de overgang aan van het boeddhistische en hindoeïstische deel van Ladakh naar het Islamitische deel.

 

In Dras stop ik om wat te eten. Dras is een klein dorpje gelegen in is één van de koudste en hoogst bewoonde gebieden van de wereld waar in de winter temperaturen van - 45 graden geen uitzondering zij. In 1995 was het met - 60 graden de tweede koudste plek ter wereld.

 

Het laatste stuk naar Kargil gaat ook weer door een schitterend en imponerend landschap. In Kargil, een klein stadje van 3000 inwoners dat op een hoogte ligt van 2677 meter, is de verandering in cultuur duidelijk te zien. De bevolking is hier voornamelijk islamitisch, wat onder andere te zien is aan de hoofddoeken van de vrouwen. Ik word er begroet met "Salaam Aleikum" en zie moskeeën in plaats van de talrijke kloosters van de afgelopen dagen. Ik ben hier op slechts enkele kilometers verwijderd van de grens met Pakistan.

 

De Indiase militairen zijn hier dan ook zeer nadrukkelijk en in grote getalen aanwezig. Borden geven aan dat het op sommige plaatsen uitdrukkelijk verboden is om te fotograferen. Het beeld dat ik in de straat zie doet mij terug denken aan mijn reis doorheen Pakistan enkele jaren geleden. Het was een korte nacht in Kargil. Moslimbroeders die om 4 uur s'nachts via de luidsprekers van de moskee hun boodschap zo nodig moeten verkondigen. Gelukkig niet al te lang, maar je bent wel klaar wakker. Dus zat ik die ochtend al heel vroeg op de motor. De weg van Kargil naar Srinagar start prachtig, maar als het asfalt ophoudt is het echt stofhappen geblazen. Mijn ogen zijn al dagen ontstoken waardoor ik continu het gevoel heb dat er zand in mijn ogen zit. Maar vandaag zit er ook echt zand in mijn ogen. De belangrijkste reden dat ik heb gekozen om naar Srinagar in Kasjmir te rijden, is de weg die van Leh naar Srinagar gaat. Hij wordt omschreven als één van de meest spectaculaire wegen die er te bedenken zijn. Door de politieke situatie is het lang onmogelijk geweest om deze weg te berijden. Het grote obstakel op de route is de Zoji La (la betekent 'pas' in de echte Trans-Himalaya). Hoewel de pas zelf maar 3528 meter boven zeeniveau ligt, is de weg veel gevaarlijker dan andere, hogere passen. Dat komt omdat de Zoji La aan de natte kant van de waterscheiding ligt. Daardoor valt er ook meer sneeuw, zodat de pas grote delen van het jaar gesloten is. De weg loopt aan de Kasjmir zijde langs steile afgronden en er volgt een pittige afdaling en ik moet me volop concentreren om niet te vallen. Het laatste gedeelte van de route Leh - Srinagar is weer heel anders. Net voor Srinagar passeer ik verschillende groepen Gujjar herders, die op weg zijn om de kuddes geiten en paarden naar de bergen te brengen. Gujjar zijn een semi-nomadisch volk. In de winter wonen ze in tentjes in de lager gelegen gebieden. Omstreeks mei-juni trekken ze met de kuddes naar de hooggelegen weiden in de bergen. Ze doen er een maand over om er te komen en keren in september terug met de kuddes. Het is een zeer eigenzinnig volk, met een eigen taal, die zich weinig met andere mensen bemoeien en niets van buitenlanders moeten hebben. Ze worden vaak lastig gevallen door Indiase ordebewakers omdat ze op Pakistani lijken met hun lange baarden, haakneuzen en lange gestalte.


Srinagar is de stad van het grote prachtige "Dal Lake", de "Mughal Gardens", kleurrijke moskeeën en in cederhout afgewerkte "Houseboats" Nog voor ik aankom aan het "Dal Lake" springen er mannen voor mijn motor die duidelijk van plan zijn om mij een houseboat aan te bieden. Na hen enkele malen duidelijk te hebben gemaakt dat ik liever zelf uitkijk voor een boot laten zij mij met rust. Ik ga alleen op pad en kom na een paar honderd meter Omar tegen. Een houseboat eigenaar die langs de kade wacht op klanten. De man komt rustig en vriendelijk over en ik geef hem een kans. Hij neemt me mee naar zijn boot, die ziet er redelijk goed uit, de kamer en badkamer zijn proper en de prijs vol pension is redelijk. Ik beslis om er twee nachten te blijven.

 

Ik wordt er goed verwend en leer er enkele mensen van Kashmir kennen die natuurlijk graag hun situatie uitleggen en hunkeren naar de tijd toen Duitsers, Engelsen, Fransen, en vele anderen hun streek bezochten. Die komen nu niet meer (na enkele oorlogen) met alle gevolgen van dien...
Sinds de onafhankelijkheid van India en Pakistan kibbelen beide landen over de Indiase deelstaat Kashmir. Dat begon al bij de onafhankelijkheidsbesprekingen van Brits India in 1947. Omdat een meerderheid van de bevolking islamitisch was, leek het een uitgemaakte zaak te zijn dat Kashmir zich bij Pakistan zou voegen. Maar de lokale koning Hari Singh koos echter voor India wat de relatie tussen de nieuwe buren op scherp zette. Het leidde in 1948 tot de eerste Indo-Pakistaanse oorlog. De grensgebieden met Pakistan, afgeschermd door een bestandslijn, zijn nog steeds verboden gebied. Buitenlandse zaken geeft dan ook een negatief reis advies naar de Kashmir vallei en de grensregio met Pakistan, wat dan ook vele toeristen doet beslissen om er weg te blijven. Spijtig want het bezoek aan Kashmir was voor mij een onvergetelijke ervaring die ik niet had willen missen.

 

Na Srinagar ging ik zuidelijker terug naar Delhi, het landschap is duidelijk anders, en er is veel meer verkeer op de weg als van Leh naar Srinagar. Er wordt hier heel gevaarlijk gereden en ik heb het moeilijk om geconcentreerd te blijven , maar ik moet blijven opletten en er voor zorgen dat ik geen bocht mis, en dat ik op tijd de kuilen in de weg zie zodat ik ze kan ontwijken. Ik merk dat ik op deze reis steeds meer mijn grenzen aan het opzoeken ben. Vooral fysiek want ik krijg steeds meer pijn in mijn bovenlichaam, en moet dan ook regelmatig pauzes inlassen om het te kunnen volhouden. Nog één kleine pas moet ik over en dan zitten de hoogste bergen erop.
Op weg naar Dharamsala maken de ruige bergen plaats voor zacht glooiende en vooral groene heuvels.

 

Overal zie je aapjes spelen langs de kant van de weg. De dorpjes die ik passeer zijn weer heel druk. Koeien , varkens, ezels, honden en een enkele kat lopen over de straten op zoek naar eten. Het laatste gedeelte van de tocht rij ik over een zeer smalle en steile kronkelweg die eindigt in Mcleod Ganj, een klein dorpje dat boven Dharamsala in de bergen ligt. Het dorpje is bekend als toevluchtsoord voor Tenzin Gyatso, de uit Tibet verbannen 14-de Dalai Lama die er zijn residentie heeft. De Tsuglagkhang (Dalai Lama ‘s Tempel) is een nieuwbouwtempel. Geen klooster, maar de verpakking van een droevig verhaal van een cultuur in ballingschap. Van binnen is het traditioneel ingericht, van buiten is het modern, kil en koud. De Daila Lama zelf is er niet, hij is in het buitenland en komt volgende week terug. Jammer, want ik had hem graag ontmoet.

 

Toen ik de volgende morgen om 6u 15 vertrok naar Simla zag het weer er heel slecht uit, er was ineens geen blauwe lucht meer, maar veel bewolking. Eenmaal terug beneden scheen de zon alweer door een kleine opening in het wolkenpak. De landschappen zijn alweer bijzonder mooi ,authentieke dorpjes en heldere riviertjes. In de vroege namiddag kom ik toe in Simla en rij ik door de nauwe hoofdstraat naar mijn hotel Bleu Diamond. De cirkel is rond. Hier overnachtte ik ook aan het begin van mijn reis. Ondanks flinke spierpijn, en met een hoofd alsof ik een kater heb vertrek ik al zeer vroeg voor mijn laatste rit op de Enfield. Het hotel kan mij op dit vroege uur slechts een kop koffie aanbieden. Ik stap met mijn laatste krachten op de motor. Eigenlijk zie ik er wel tegen op voor deze lange rit van meer dan vierhonderd Km naar Delhi. Het eerste restaurantje dat ik tegenkom kan mij wel een ontbijt serveren. Warme koffie, boter, jam en een omelet. Het doet mij goed en ik bekom er van. Ondertussen wordt het snel warmer, de zon doet zijn werk en ik kom steeds lager. Na Kalka zijn de heuvels plotseling verdwenen en rij ik de laatste kilometers door een plat gebied waar rijst wordt geoogst.

 

De allerlaatste loodjes zijn zwaar. Een eindje voor Delhi heb ik het moeilijk om de juiste weg te vinden. Door de enorme drukte kan ik moeilijk de gps track volgen om terug te keren naar mijn startpunt in deze miljoenen stad.

 

Eenmaal aangekomen in mijn hotel stort ik me vermoeid neer op mijn bed en val in een diepe slaap.... De volgende ochtend lever ik na het ontbijt de motor onbeschadigd in bij Lalli en met enige weemoed geef ik de sleutels af. Einde van alweer een droom die is verwezenlijkt. Ik zal nog dikwijls aan deze reis terugdenken, zeker ook omdat het geen gemakkelijke route was. Het heeft mij heel wat inspanning gekost, maar het was een onvergetelijke ervaring die ik niet had willen missen.
Groeten Carlo.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Trans Himalaya Reisverhaal Carlo 2013

 

MOTOR RIJDEN OP HET DAK VAN DE WERELD!

 

Voor de derde keer op rij is de Amsterdamse luchthaven de vertrekplaats van mijn reis. De voorbije jaren vertrok ik ook vanaf hier naar Argentinië en Thailand, nu vlieg ik via Finland naar India. Het is bij aankomst op de luchthaven van Helsinki veel minder druk dan op Schiphol. Alles verloopt heel rustig en gemoedelijk, een verademing! Hier ga ik overstappen op een Airbus van Finnair. Eigenlijk zie ik er tegenop om 7 uur af te zien voor ik in Delhi ben, maar bij het zien van de stewardessen dacht ik er anders over. Wat zijn ze mooi zeg!!!

Even na 05.00uur lokale tijd loop ik de aankomsthal van Indira Gandhi International Airport van New Delhi in. Meteen ga ik op zoek naar de transportband om mijn tas op te halen en schuif aan in de rij. Met ijzige nauwkeurigheid en een gezicht van “ik ben hier de chef ” worden de paspoorten nauwkeurig bestudeerd.

Eenmaal buiten  overvalt de hitte mij.  Hoewel het nog heel vroeg is, is het al 27 gr . Een taxi brengt mij naar een hotel in de buurt waar ik de motor heb gehuurd. Door de open ramen ruik ik India, voor het eerst sinds lange tijd ruik ik weer het heerlijke mengsel van houtvuur, spicy food en uitlaatgassen. Yes ik ben weer terug, veel is er de voorbije jaren niet veranderd, het verkeer is nog even chaotisch . Fietsriksja's, motortjes en autootjes slalommen al bellend en toeterend door de straten. Om 7.30 uur kwam ik toe in mijn hotel , waar ik even kon bijkomen van de reis. Om 11.00 uur had ik een afspraak met Lali Sing van het motor verhuurbedrijf.

Ik was  meteen verliefd op de Bullet toen ik hem zag staan . Wat een prachtige motor, volledig zwart en gemaakt van gewoon ijzer, nergens was er ook maar een stukje plastiek te bespeuren. De mekanieker van dienst licht toe hoe ik dit  prachtig werkstuk aan de praat krijg. De startprocedure, eerst met het decompressieschuifje links op het stuur spelen en met de kickstarter trappen zodat de ampèremeter in het midden staat, en dan een ferme trap geven. Ik krijg nog een snelcursus mechaniek en dan is het tijd om een proefrit te maken. Gelukkig is het zondag en is er niet zo’n druk verkeer. Ik ben verbaasd hoe snel ik het rijden op deze legendarische Royal Enfield  weer onder de knie heb. Nochtans is het alweer een aantal jaren geleden dat ik op een Enfield motor dwars door India reed. Evident is het niet om op een van oorsprong Engelse motor te rijden, links remmen, rechts schakelen, eerste versnelling omhoog, rest naar beneden. Je hele automatisme moet op z’n kop. In combinatie met het links rijden en het chaotisch verkeer  in India moet je echt wel opletten. Vooral in plotselinge situaties trap je hem een versnelling hoger in plaats van dat je remt. Schakelen zonder nadenken zorgt er voor dat je in plaats van 2 naar 3, van 2 naar 1 gaat. Het hele ding gaat dan direct volop in de ankers, waarbij je bijna over het stuur wordt gekatapulteerd. Als laatste afhandeling is er nog een ceremonie aan de god “Ganesh” die mij moet beschermen voor een veilige reis.

De volgende ochtend vertrek ik al zeer vroeg voor misschien wel de indrukwekkendste reis van mijn leven. Vanuit het centrum rij ik via de drukke buitenwijken de stad uit, het rijden met de motor door het Indische verkeer blijft spannend. Geen verkeerslichten, of toch, maar men rijdt gewoon door het rood, geen verkeersborden, geen richtingaanwijzers, geen lijnen op de weg, ik word links en rechts voorbijgestoken. Ook zie ik weer hoeveel armoede hier is. Op de trottoirs liggen tussen de  stukken karton dakloze mensen te slapen. En varkens en koeien die de afvalresten aan het opeten zijn.

Even buiten de stad wordt de tank volgegooid, en ben ik klaar voor het eerste deel van de rit die voor een groot gedeelte over de snelweg gaat waar ik regelmatig wordt ingehaald door kleurig geschilderde vrachtwagens. De hitte begint haar tol te eisen, “ 42 graden is heet”, zelfs op een motor ,en ik moet regelmatig van de motor om te drinken. Net voor Kalka stopt de snelweg en rij ik eerst nog door armzalige dorpjes met bouwvallige huisjes en zelf gemaakte tentjes van plastiek en takken. Sanitair is er niet, dus iedereen wast zich in de bruine slootjes waarin anderen weer hun behoeften doen. Vee in alle soorten en maten loopt overal los rond. Eindelijk komen de bergen in zicht en is het mijn beurt om de vrachtwagens in te halen die stapvoets de berg oprijden en hierbij gigantisch veel dieselrook produceren. Neem daarbij nog het benodigde straatstof en je kan je voorstellen hoeveel rotzooi ik in mijn longen kreeg. Ik ervaar weer hoe het is om 400 km lang over zeer slechte en gevaarlijke wegen te rijden. Ik heb kunnen genieten van meer dan 12 uur motor plezier als ik vermoeid toekom in Shimla. De Engelsen bouwden hier hill-stations om aan de hitte van het laagland te kunnen ontsnappen. Vandaag de dag komt de Indiase middenklasse hier massaal  vakantie nemen. Shimla is vooral bij pasgetrouwde stelletjes populair, dit moet één van de weinige plaatsen in India zijn waar man en vrouw gearmd over straat gaan. Tot 's avonds laat flaneert iedereen over “The Mall” langs de vervallen Britse panden.

Hevige moessonregens hebben er de voorbije weken voor gezorgd dat van een tocht door de Kinnaur en Spiti vallei niets van terecht komt. De Old Tibetan-Hindustan highway is op verschillende plaatsen ondergelopen door het water. Tientallen dorpen zijn van de buitenwereld afgesneden. Helikopters worden ingezet om mensen te evacueren. Volgens de laatste nieuwsberichten zijn er al meer dan duizend doden. Ik zet mijn tocht verder door noordwaarts  door de Kullu vallei te rijden naar het populaire Manali. De Kullu vallei staat bekend om de cannabis. Het groeit er overal als onkruid. Ieder jaar verdwijnen in deze vallei een aantal Westerlingen. Er wordt beweerd dat zij zich aansluiten bij de Sadhu's om de dagen stoned door te brengen in afgelegen grotten. De groene bergen worden steeds hoger, soms kan ik een glimp opvangen van een witte piek. Het wordt duidelijk, ik kom steeds korter bij de Himalaya. Het groene Manali biedt een aangename verpozing met mogelijkheden tot rafting, sightseeing of wat relaxen in de warmwaterbronnen.

Rij je de eerste dagen continu met je hersenen, het automatisme neemt het langzaam over. En ik durf nu min of meer met een gerust hart om me heen te kijken. Maar toch is het opletten geblazen. Een motorreis door de adembenemende Himalaya is niet zonder gevaar. Via de Manali highway rij ik verder naar Keylong over hemels hoge bergpassen naar het dak van de wereld. Zeer slechte wegen, dat wel, maar ook erg mooi. Je kan zien dat de weg nog niet lang open is. Ik rij tussen meters hoge sneeuwwallen door. De bergpassen worden maar drie maanden op een jaar sneeuw en ijsvrij gemaakt door het Indiase leger dat de bewakingstroepen aan de grenzen met China, Nepal en Pakistan bevoorraadt. Regelmatig moet ik een rivier oversteken van ongeveer 20 tot 40 cm diep. En op de bodem niets anders dan grote ronde stenen. Het kostte veel moeite om de motor overeind te houden, ik mocht zeker niet vallen, want dan zou het bijna onmogelijk zijn om alleen de motor uit de rivier te krijgen. De rit naar Keylong gaat verder langs smalle onverharde wegen met aan de ene zijde de bergflank en aan de andere kant een diep ravijn. Imponerend om te zien is  hoe de vrachtwagens langs de afgrond moeten rijden om op de smalle bergweg de haarspeldbochten te  moeten nemen. Een half uurtje voor Keylong krijg ik een eerste keer te maken met een lekke band. Ik demonteer de kofferhouders en haal het achterwiel eruit. Op de ouderwetse manier haal ik met bandijzers de buitenband van de velg en vervang de binnenband. Een klus van toch meer dan een uur in de verschroeiende hitte. Keylong ligt geïsoleerd tussen de bergen in een groene en vruchtbare vallei. Veel is er niet te zien in het stadje, maar ik kan er wel een nieuwe binnenband aanschaffen, wat eten kopen en tanken want hier heb je het laatste benzine station tot veertig km voor Leh. Driehonderdzeventig km lang kom je  niets van accommodatie  tegen en ben je totaal van de buitenwereld afgesloten. Ik neem dan ook twee extra jerrycans benzine mee. De volgende ochtend zit ik al voor zonsopgang  op de motor richting  Sarchu. Dat is een plaats die eigenlijk alleen maar bestaat uit een aantal tentenkampen waar je kunt overnachten om de reis naar Ladakh verder te zetten. De omgeving is nog steeds prachtig en spectaculair, soms zijn de stukken weg iets beter en dan kan ik  volop  genieten van de prachtige natuur, en van het mooie, zware geluid dat uit de uitlaat van de Enfield komt. Vooral in de hoogste, vierde versnelling, met zo’n 50 km per uur op de klok lijkt het wel of er een scheepsdiesel onder me bonkt.

Vannacht heb ik erg veel last van de hoogte gehad. Er zit hier in Sarchu op 4.300 meter zo weinig zuurstof in de lucht dat als je plat ligt denkt te gaan hyperventileren. Ik moet meerdere malen rechtop in de tent gaan zitten. Geen goed teken, maar op deze hoogte is het normaal om last te krijgen van de verschijnselen van hoogteziekte. s’ Morgens geraak ik met moeite uit mijn slaapzak. Ik voel mij nog steeds verschrikkelijk en heb nu ook last van barstende hoofdpijn en braakneigingen. ik doe het die dag rustig  aan, maar probeer toch niet te veel tijd te verliezen. Vandaag wil ik  nog in het tweehonderd zestig km verder, en bijna 1.000 meter lager gelegen Leh te geraken om er wat op krachten te komen. Het landschap is duidelijk anders, hier veel bruine vaak zandstenen bergen die schitteren in de helderblauwe lucht. Als ik door een smalle kloof met een perfect nieuw wegdek rij,  zie ik  iets verder- op vrouwen die op de hurken voortbewegen en de weg schoon vegen met een handbezem van twijgen. Het spreekt voor zich dat dit niet erg op schiet. Dichter bij Leh rij ik langs kilometerslange militaire gebouwen en zie niets anders dan hoge hekken waarachter legerbarakken met honderden legervoertuigen van het Indiase leger. Dat komt door de strategische ligging van Ladakh, het district dat ongeveer zestig procent van de meest noordelijke en omstreden Indiase deelstaat Jammu en Kashmir vormt. Het eerste dat opvalt als je het centrum van Leh binnen rijd is het imposante, negen verdiepingen hoge oude koninklijke paleis dat het stadje domineert. De eerste indruk :  heel toeristisch, heel veel reis- en trekkerswinkels en tientallen souvenirwinkels met vooral Tibetaanse souvenirs. Maar het lijkt mij wel gezellig. Het letterlijke en figuurlijke hoogtepunt van mijn expeditie zou de rit over de Kardhung- La worden, de hoogst berijdbare bergpas ter wereld op 5602 m hoogte. Voor deze weg heb ik wel een speciale vergunning nodig en die kan hier in Leh aangevraagd worden. Het duurt wel twee dagen eer ik in het bezit ben van het gegeerde permit, maar ik had het er graag voor over. De weg naar de top van de Karhung - La was zoals elke pas spectaculair. Vooral het laatste stuk is de weg heel slecht. Veel had het echter niet gescheeld of ik had mijn doel niet bereikt. Op 4 km van de top had er een steenlawine plaats gevonden en het leger was bezig met de rotsblokken en het steenpuin te verwijderen. Na lang wachten kon ik dan toch verder rijden. Het was een lange, gevaarlijke en fysiek zware reis doorheen de Himalaya om de top van de Karhung - La te bereiken, maar alle verwachtingen werden ruimschoots ingelost. Een beetje fier laat ik een foto van mij maken bij het bord “ hoogst berijdbare weg ter wereld”( 5.602 m). Daarna rij ik dezelfde weg terug. Ik had ook nog naar beneden kunnen rijden om de Nebra valley te gaan bezoeken maar wegens gebrek aan tijd beslis ik om dit niet te doen. Vanuit Leh volg ik de Indus rivier naar  het westen. Opnieuw veel militaire controleposten maar zoals reeds vele malen is gebleken dat mijn papieren in orde zijn.

Op weg naar Kargil krijg ik de indruk dat ik vanop het dak van de wereld plots op de maan terecht gekomen ben. Ik rij door een prachtig maanlandschap zonder enige begroeiing. Onder invloed van het zonlicht namen de rotsen steeds een andere kleur aan. Heel indrukwekkend. Iets verder kom ik bij het belangrijkste klooster van Ladakh het 1000 jaar oude Lamayuru klooster.  Er verblijven ongeveer 150 monniken in het klooster. Lamayuru staat ook bekend als plaats van de vrijheid. De spectaculaire uitzichten hier worden door geen enkel ander klooster overtroffen.

Zo’n veertig km voorbij Kargil, staat vlak langs de weg een van de belangrijkste rotsreliëfs uit de vroeg boeddhistische tijd: een 7 m hoog reliëf van de Boeddha Maitreya, dat waarschijnlijk dateert uit de 5de-7de eeuw. Dit geeft ook de overgang aan van het boeddhistische en hindoeïstische deel van Ladakh naar het Islamitische deel. In Dras stop ik om wat te eten. Dras is een klein dorpje gelegen in is één van de koudste en hoogst bewoonde gebieden van de wereld waar in de winter temperaturen van – 45 graden geen uitzondering zij. In 1995 was het met – 60 graden de tweede koudste plek ter wereld.

Het laatste stuk naar Kargil gaat ook weer door een schitterend en imponerend landschap. In Kargil, een klein stadje van 3000 inwoners dat op een hoogte ligt van 2677 meter, is de verandering in cultuur duidelijk te zien. De bevolking is hier voornamelijk islamitisch, wat onder andere te zien is aan de hoofddoeken van de vrouwen. Ik word er begroet met “Salaam Aleikum” en zie moskeeën in plaats van de talrijke kloosters van de afgelopen dagen. Ik ben hier op slechts enkele kilometers verwijderd van de grens met Pakistan. De Indiase militairen zijn hier dan ook zeer nadrukkelijk en in grote getalen aanwezig. Borden geven aan dat het op sommige plaatsen uitdrukkelijk verboden is om te fotograferen. Het beeld dat ik in de straat zie doet mij terug denken aan mijn reis doorheen Pakistan enkele jaren geleden. Het was een korte nacht in Kargil.  Moslimbroeders die om 4 uur s’nachts via de luidsprekers van de moskee hun boodschap zo nodig moeten verkondigen. Gelukkig niet al te lang, maar je bent wel klaar wakker. Dus zat ik die ochtend al heel vroeg op de motor. De weg van Kargil naar Srinagar start prachtig, maar als het asfalt ophoudt is het echt stofhappen geblazen. Mijn ogen zijn al dagen ontstoken waardoor ik continu het gevoel heb dat er zand in mijn ogen zit. Maar vandaag zit er ook echt zand in mijn ogen. De belangrijkste reden dat ik heb gekozen om naar Srinagar in Kasjmir te rijden, is de weg die van Leh naar Srinagar gaat. Hij wordt omschreven als één van de meest spectaculaire wegen die er te bedenken zijn. Door de politieke situatie is het lang onmogelijk geweest om deze weg te berijden. Het grote obstakel op de route is de Zoji La (la betekent 'pas' in de echte Trans-Himalaya). Hoewel de pas zelf maar 3528 meter boven zeeniveau ligt, is de weg veel gevaarlijker dan andere, hogere passen. Dat komt omdat de Zoji La aan de natte kant van de waterscheiding ligt. Daardoor valt er ook meer sneeuw, zodat de pas grote delen van het jaar gesloten is. De weg loopt aan de Kasjmir zijde langs steile afgronden en er volgt een pittige afdaling en ik moet me volop concentreren om niet te vallen. Het laatste gedeelte van de route Leh - Srinagar is weer heel anders.  Net voor  Srinagar  passeer ik verschillende groepen Gujjar herders, die op weg zijn om de kuddes geiten en paarden naar de bergen te brengen. Gujjar zijn een semi-nomadisch volk. In de winter wonen ze in tentjes in de lager gelegen gebieden. Omstreeks mei-juni trekken ze met de kuddes naar de hooggelegen weiden in de bergen. Ze doen er een maand over om er te komen en keren in september terug met de kuddes. Het is een zeer eigenzinnig volk, met een eigen taal, die zich weinig met andere mensen bemoeien en niets van buitenlanders moeten hebben. Ze worden vaak lastig gevallen door Indiase ordebewakers omdat ze op Pakistani lijken met hun lange baarden, haakneuzen en lange gestalte.

Srinagar is de stad van het grote prachtige "Dal Lake", de "Mughal Gardens", kleurrijke moskeeën en in cederhout afgewerkte "Houseboats" Nog voor ik aankom aan het "Dal Lake" springen er mannen voor mijn motor die duidelijk van plan zijn om mij een houseboat  aan te bieden.  Na hen enkele malen duidelijk te hebben gemaakt dat ik liever zelf  uitkijk voor een boot laten zij mij met rust. Ik ga alleen op pad en kom na een paar honderd meter Omar tegen. Een houseboat eigenaar die langs de kade wacht op klanten. De man komt rustig en vriendelijk over en ik geef hem een kans. Hij neemt me mee naar zijn boot, die ziet er redelijk goed uit, de kamer en badkamer zijn proper en de prijs vol pension is redelijk. Ik beslis om er twee nachten te blijven. Ik wordt er goed verwend en leer er enkele mensen van Kashmir kennen die natuurlijk graag hun situatie uitleggen en hunkeren naar de tijd toen Duitsers, Engelsen, Fransen, en vele anderen hun streek bezochten. Die komen nu niet meer (na enkele oorlogen)  met alle gevolgen van dien...

Sinds de onafhankelijkheid van India en Pakistan kibbelen beide landen over de Indiase deelstaat Kashmir. Dat begon al bij de onafhankelijkheidsbesprekingen van Brits India in 1947. Omdat een meerderheid van de bevolking islamitisch was, leek het een uitgemaakte zaak te zijn dat Kashmir zich bij Pakistan zou voegen. Maar de lokale koning Hari Singh  koos echter voor India wat de relatie tussen de nieuwe buren op scherp zette. Het leidde in 1948 tot de eerste Indo-Pakistaanse oorlog.  De grensgebieden met Pakistan, afgeschermd door een bestandslijn, zijn nog steeds verboden gebied. Buitenlandse zaken geeft dan ook een negatief reis advies naar de Kashmir vallei en de grensregio met Pakistan, wat dan ook vele toeristen doet beslissen om er weg te blijven. Spijtig want het bezoek aan Kashmir was voor mij een onvergetelijke ervaring die ik niet had willen missen. Na Srinagar ging ik zuidelijker terug naar Delhi, het landschap is duidelijk anders, en er  is veel meer verkeer  op de  weg als van Leh naar Srinagar. Er wordt hier heel gevaarlijk gereden en ik heb het moeilijk om geconcentreerd te blijven , maar ik moet blijven opletten en er voor  zorgen dat ik geen bocht mis, en dat ik op tijd de kuilen in de weg zie zodat ik ze kan ontwijken. Ik merk dat ik op deze reis steeds meer mijn grenzen aan het opzoeken ben. Vooral fysiek want ik krijg steeds meer pijn in mijn bovenlichaam, en moet dan ook regelmatig pauzes inlassen om het te kunnen volhouden. Nog één kleine pas moet ik over en dan zitten de hoogste bergen erop.

Op weg  naar Dharamsala maken de ruige bergen plaats voor  zacht glooiende en vooral groene heuvels. Overal zie je aapjes spelen langs de kant van de weg. De dorpjes die ik passeer zijn weer heel druk. Koeien , varkens, ezels, honden en een enkele kat lopen over de straten op zoek naar eten. Het laatste gedeelte van de tocht rij ik over een zeer smalle en steile kronkelweg die eindigt in Mcleod Ganj, een klein dorpje dat boven Dharamsala in de bergen ligt. Het dorpje is bekend als toevluchtsoord voor Tenzin Gyatso, de uit Tibet verbannen 14-de Dalai Lama die er zijn residentie heeft. De Tsuglagkhang (Dalai Lama ‘s Tempel) is een nieuwbouwtempel. Geen klooster, maar de verpakking van een droevig verhaal van een cultuur in ballingschap. Van binnen is het traditioneel ingericht, van buiten is het modern, kil en koud. De Daila Lama zelf is er niet, hij is in het buitenland en komt volgende week terug. Jammer, want ik had hem graag ontmoet.

Toen ik de volgende morgen om 6u 15 vertrok naar Simla zag het weer er heel slecht uit, er was ineens geen blauwe lucht meer, maar veel bewolking. Eenmaal terug beneden scheen de zon alweer door een kleine opening in het wolkenpak. De landschappen zijn alweer bijzonder mooi ,authentieke dorpjes en heldere riviertjes. In de vroege namiddag kom ik toe in Simla en rij ik door de nauwe hoofdstraat  naar mijn hotel Bleu Diamond. De cirkel is rond.  Hier overnachtte ik ook  aan het begin van mijn reis. Ondanks flinke spierpijn, en met een hoofd alsof ik een kater heb vertrek ik al zeer vroeg voor mijn laatste rit op de Enfield. Het hotel kan mij op dit vroege uur slechts een kop koffie aanbieden. Ik stap met mijn laatste krachten op de motor. Eigenlijk zie ik er wel tegen op voor deze lange rit van meer dan vierhonderd Km naar Delhi. Het eerste restaurantje dat ik tegenkom kan mij wel een ontbijt serveren. Warme koffie, boter, jam en een  omelet. Het doet mij goed en ik bekom er van. Ondertussen wordt het snel warmer, de zon doet zijn werk en ik kom steeds lager. Na Kalka zijn de heuvels plotseling verdwenen en rij ik de laatste kilometers door een plat gebied waar rijst wordt geoogst. De allerlaatste loodjes zijn zwaar.  Een eindje voor Delhi heb ik het moeilijk om de juiste weg te vinden. Door de enorme drukte kan ik moeilijk de gps track volgen om terug te keren naar mijn startpunt in deze miljoenen stad. Eenmaal aangekomen in mijn hotel stort ik me vermoeid neer op mijn bed en val in een diepe slaap…. De volgende ochtend lever ik na het ontbijt de motor onbeschadigd in bij Lalli en met enige weemoed geef ik de sleutels af. Einde van alweer een droom die is verwezenlijkt. Ik zal nog dikwijls aan deze reis terugdenken, zeker ook omdat het geen gemakkelijke route was. Het heeft mij heel wat inspanning gekost, maar het was een onvergetelijke ervaring die ik niet had willen missen.

Groeten Carlo.